Leentje leerde Lotje lopen langs de Lange Lindelaan

Toen Leentje Lotje leerde lopen in de Lange Lindelaan liep ze inwendig de hele weg te vloeken en te tieren. Als oudste zus moest ze vaak met Lotje helpen, nu moeder naar Davos was om te herstellen van de tering. Vader was lief, maar overdag erg druk met zijn werk als burgemeester. En tante Zwaan, moeders zus, die zo lang bij hen was ingetrokken om moeders taken over te nemen miste haar zachte hand.

Waar moeders ogen lief en teder waren als ze naar Leentje en Lotje keek, waren die van tante Zwaan koud en kil, ondanks hun warmbruine kleur. En waar moeders armen zacht en verwelkomend waren, waren die van tante Zwaan hard en pezig.
Maar de laatste weken dat moeder nog thuis was, was ze zo vreemd opgewonden, haar doorschijnende huid droeg onnatuurlijke blosjes, en als ze hoestte kleurde haar zakdoekje rood. En toen dokter het slechte nieuws kwam vertellen dat moeder naar Davos moest mochten de kinderen niet meer bij haar uit angst voor besmetting. Dus wuifden de kinderen op een zonnige dag vader en moeder uit, en vader kwam alleen weer thuis. Nu begon het lange wachten of de frisse luchten van Davos moeder zouden helpen.

Vader zei dikwijls dat ze tante Zwaan dankbaar moesten zijn dat ze haar huisje in het dorp had achtergelaten om in de grote burgemeesterswoning de scepter te komen zwaaien, maar Leentje was helemaal niet dankbaar. Ze zag in tante Zwaans ogen een heimelijk genoegen over haar nieuwe positie in het huis, en Leentje zag hoe tante Zwaan een keer een foto van moeder opzettelijk omstootte waardoor het glas brak. Bovendien vond Leentje dat ze zich prima zonder tante Zwaan konden redden. In de keuken zwaaide immers Kok de scepter, en met twee dienstmeisjes in huis liep het huishouden als een goed geoliede machine. Maar vader was bang dat ze een moederfiguur zouden missen.

'Begreep vader dan niet dat niemand moeder kon vervangen?' vroeg Leentje zich af.
En hoewel tante Zwaan op het oog liefhebbend leek, wist Leentje wel beter. Haar omhelzingen waren altijd net iets te hard, en Leentje had de blauwe plekken op het te bewijzen. Nee, tante Zwaan was er beslist niet voor Leentje en Lotje. Ze had haar oog laten vallen op Vader. Vader, die zich elke dag terugtrok in zijn studeerkamer, en lange verlangende brieven aan moeder schreef.

Eén keer per week bracht de post een brief van moeder, die vader hoopvol en met trillende vingers opende. Aan vaders schouders kon Leentje zien of het goed nieuws was of slecht nieuws. Als zijn schouders spanden, dan wist Leentje dat moeders toestand niet verbeterd was, maar als zijn schouders ontspanden dan was er vreugde in huis. Dan mochten Leentje en Lotje bij vader op schoot komen zitten, en las hij hen de brief voor. Dan persten tante Zwaans lippen zich in een smalle wrede streep, en 's avonds wrong ze ruw het haar van de meisjes in hun vlechten voor de nacht. Maar nooit als vader het zag. Dat nooit.

Toen tante Zwaan, op een druilerige zondagmiddag Leentje opdroeg Lotje te leren lopen op de Lange Lindelaan, zodat zij met vader thee kon drinken in haar boudoir, was Leentje niet blij.

'Maar tante Zwaan, wij willen ook met vader theedrinken.'
'Nee kind, vader heeft het veel te druk voor jullie kinderen. Gaan jullie maar naar buiten, dan kunnen vader en ik tenminste rustig praten,' en tante Zwaan riep Betsie, het eerste meisje, en droeg haar op de kinderen in hun jassen te hijsen.
'Als de kerkklokken vijf uur slaan, haal je ze maar weer naar binnen,' sommeerde ze Betsie en trok zich terug in het boudoir, waar de kachel behaaglijk loeide.

Even later stonden de kinderen buiten op de verlaten straat, waar de regen miezerde en druilde. Beide meisjes huiverden in hun dunne jasjes.
'Laten we maar gaan lopen Lotje, dan worden we vanzelf warmer,' besloot Leentje. En ze ging achter Lotje staan, en pakte haar dikke peuterknuistjes.
'Toe maar Lotje,' moedigde Leentje aan.

Met een koddige beweging zette Lotje haar ene lakschoentje voor het andere. Zo liepen ze de hele Lindelaan af, en weer terug. Langs de hoge lindes waar de laan haar naam aan had te danken, het verlaten park waar treurig en nat de bankjes stonden. Heen en weer, en op en neer, terwijl Leentjes tanden knarsten bij de gedachte aan vader en tante Zwaan in het warme boudoir.

Om de tijd de verdrijven leerde Leentje Lotje ook woordjes en zinnetjes. Bij elke stap zei ze Lotje een woordje voor, dat Lotje dan herhaalde. Zo leerde Leentje Lotje niet alleen lopen langs de Lange Lindelaan, maar ook praten.
Eindelijk sloegen de klokken vijf uur, en Leentje trok aan het touw dat de bel liet schellen. Voetstappen draafden naar de deur, en eindelijk konden ze de warmte in.

'Kinderen toch,' mompelde Betsie, jullie zijn helemaal doorweekt! Kom maar gauw mee, dan maak ik jullie droog.'
Betsie nam Leentje en Lotje mee naar de warme keuken, waar Kok het avondmaal bereidde en hoofdschuddend mompelde: 'Het is toch een schande, het is een schande.'

In de warme keuken, waar het rook naar gebraden vlees en dampende bloemkool, droogde Betsie hen af en Kok gaf ze grote bekers warme chocolademelk vergezeld met een goedmoedige aai over hun bolletjes. Leentje verborg even haar hoofd in het knisperend witte short van Kok die op moederlijke toon prevelde: 'Kind toch, kind toch.'

Om zes uur zagen de kinderen dan eindelijk hun vader voor het diner. Ze wierpen zich in zijn armen, en vader vroeg wat ze die dag hadden gedaan.
'Ik heb Lotje leren lopen langs de lange Lindelaan,' vertelde Leentje. 'En ik heb haar wat woordjes en zinnetjes geleerd.'
'Goed zo Leentje!' zei vader en woelde liefdevol door heur haar. Toen richtte hij zich tot Lotje en vroeg: 'En Lotje, kun jij wat zeggen?'
En luid en duidelijk klonk toen Lotje tere kinderstemmetje: 'Krijg de tering, tante Zwaan

No comments: