Toen Leentje Lotje leerde lopen in de Lange Lindelaan liep ze inwendig de hele weg te vloeken en te tieren. Als oudste zus moest ze vaak met Lotje helpen, nu moeder naar Davos was om te herstellen van de tering. Vader was lief, maar overdag erg druk met zijn werk als burgemeester. En tante Zwaan, moeders zus, die zo lang bij hen was ingetrokken om moeders taken over te nemen miste haar zachte hand.
Waar moeders ogen lief en teder waren als ze naar Leentje en Lotje keek, waren die van tante Zwaan koud en kil, ondanks hun warmbruine kleur. En waar moeders armen zacht en verwelkomend waren, waren die van tante Zwaan hard en pezig.
Maar de laatste weken dat moeder nog thuis was, was ze zo vreemd opgewonden, haar doorschijnende huid droeg onnatuurlijke blosjes, en als ze hoestte kleurde haar zakdoekje rood. En toen dokter het slechte nieuws kwam vertellen dat moeder naar Davos moest mochten de kinderen niet meer bij haar uit angst voor besmetting. Dus wuifden de kinderen op een zonnige dag vader en moeder uit, en vader kwam alleen weer thuis. Nu begon het lange wachten of de frisse luchten van Davos moeder zouden helpen.
Vader zei dikwijls dat ze tante Zwaan dankbaar moesten zijn dat ze haar huisje in het dorp had achtergelaten om in de grote burgemeesterswoning de scepter te komen zwaaien, maar Leentje was helemaal niet dankbaar. Ze zag in tante Zwaans ogen een heimelijk genoegen over haar nieuwe positie in het huis, en Leentje zag hoe tante Zwaan een keer een foto van moeder opzettelijk omstootte waardoor het glas brak. Bovendien vond Leentje dat ze zich prima zonder tante Zwaan konden redden. In de keuken zwaaide immers Kok de scepter, en met twee dienstmeisjes in huis liep het huishouden als een goed geoliede machine. Maar vader was bang dat ze een moederfiguur zouden missen.
'Begreep vader dan niet dat niemand moeder kon vervangen?' vroeg Leentje zich af.
En hoewel tante Zwaan op het oog liefhebbend leek, wist Leentje wel beter. Haar omhelzingen waren altijd net iets te hard, en Leentje had de blauwe plekken op het te bewijzen. Nee, tante Zwaan was er beslist niet voor Leentje en Lotje. Ze had haar oog laten vallen op Vader. Vader, die zich elke dag terugtrok in zijn studeerkamer, en lange verlangende brieven aan moeder schreef.
Eén keer per week bracht de post een brief van moeder, die vader hoopvol en met trillende vingers opende. Aan vaders schouders kon Leentje zien of het goed nieuws was of slecht nieuws. Als zijn schouders spanden, dan wist Leentje dat moeders toestand niet verbeterd was, maar als zijn schouders ontspanden dan was er vreugde in huis. Dan mochten Leentje en Lotje bij vader op schoot komen zitten, en las hij hen de brief voor. Dan persten tante Zwaans lippen zich in een smalle wrede streep, en 's avonds wrong ze ruw het haar van de meisjes in hun vlechten voor de nacht. Maar nooit als vader het zag. Dat nooit.
Toen tante Zwaan, op een druilerige zondagmiddag Leentje opdroeg Lotje te leren lopen op de Lange Lindelaan, zodat zij met vader thee kon drinken in haar boudoir, was Leentje niet blij.
'Maar tante Zwaan, wij willen ook met vader theedrinken.'
'Nee kind, vader heeft het veel te druk voor jullie kinderen. Gaan jullie maar naar buiten, dan kunnen vader en ik tenminste rustig praten,' en tante Zwaan riep Betsie, het eerste meisje, en droeg haar op de kinderen in hun jassen te hijsen.
'Als de kerkklokken vijf uur slaan, haal je ze maar weer naar binnen,' sommeerde ze Betsie en trok zich terug in het boudoir, waar de kachel behaaglijk loeide.
Even later stonden de kinderen buiten op de verlaten straat, waar de regen miezerde en druilde. Beide meisjes huiverden in hun dunne jasjes.
'Laten we maar gaan lopen Lotje, dan worden we vanzelf warmer,' besloot Leentje. En ze ging achter Lotje staan, en pakte haar dikke peuterknuistjes.
'Toe maar Lotje,' moedigde Leentje aan.
Met een koddige beweging zette Lotje haar ene lakschoentje voor het andere. Zo liepen ze de hele Lindelaan af, en weer terug. Langs de hoge lindes waar de laan haar naam aan had te danken, het verlaten park waar treurig en nat de bankjes stonden. Heen en weer, en op en neer, terwijl Leentjes tanden knarsten bij de gedachte aan vader en tante Zwaan in het warme boudoir.
Om de tijd de verdrijven leerde Leentje Lotje ook woordjes en zinnetjes. Bij elke stap zei ze Lotje een woordje voor, dat Lotje dan herhaalde. Zo leerde Leentje Lotje niet alleen lopen langs de Lange Lindelaan, maar ook praten.
Eindelijk sloegen de klokken vijf uur, en Leentje trok aan het touw dat de bel liet schellen. Voetstappen draafden naar de deur, en eindelijk konden ze de warmte in.
'Kinderen toch,' mompelde Betsie, jullie zijn helemaal doorweekt! Kom maar gauw mee, dan maak ik jullie droog.'
Betsie nam Leentje en Lotje mee naar de warme keuken, waar Kok het avondmaal bereidde en hoofdschuddend mompelde: 'Het is toch een schande, het is een schande.'
In de warme keuken, waar het rook naar gebraden vlees en dampende bloemkool, droogde Betsie hen af en Kok gaf ze grote bekers warme chocolademelk vergezeld met een goedmoedige aai over hun bolletjes. Leentje verborg even haar hoofd in het knisperend witte short van Kok die op moederlijke toon prevelde: 'Kind toch, kind toch.'
Om zes uur zagen de kinderen dan eindelijk hun vader voor het diner. Ze wierpen zich in zijn armen, en vader vroeg wat ze die dag hadden gedaan.
'Ik heb Lotje leren lopen langs de lange Lindelaan,' vertelde Leentje. 'En ik heb haar wat woordjes en zinnetjes geleerd.'
'Goed zo Leentje!' zei vader en woelde liefdevol door heur haar. Toen richtte hij zich tot Lotje en vroeg: 'En Lotje, kun jij wat zeggen?'
En luid en duidelijk klonk toen Lotje tere kinderstemmetje: 'Krijg de tering, tante Zwaan
Showing posts with label Fictie. Show all posts
Showing posts with label Fictie. Show all posts
Zusterliefde
Er waren eens twee zussen, Amelia en Cerise. Amelia had een lach als stralende zonneschijn, die werd weerspiegeld in haar honingblonde haar. Haar ogen waren Teletubbieblauw en haar lach klonk als windklokjes die zachtjes tinkelen in de wind.
Cerise daarentegen had zwart haar met daarop een bokkepruik, op haar voorhoofd zat een bord, en haar schoenen waren gevoerd met lood. Als Cerise lachte, krompen dieren in elkaar, katten bliezen kwaadaardig en kromden hun rug. Als Cerise praatte verbeeldden luisteraars zich dat ze kanongebulder hoorden.
Amelia en Cerise waren als de dag en de nacht, als de stralende zon en de ziekelijke maan. Samen bewoonden ze een groot kasteel, overwoekerd met doornstruiken, waar ooit Doornroosjes prins zich zo dapper doorheen had gevochten. Doornroosje en haar prins waren geëmigreerd naar Amerika, en hadden het kasteel verkocht aan de ouders van Amelia en Cerise.
Omdat die een beperkt budget hadden besloten de ouders van Amelia en Cerise de renovatie zelf te doen, daarbij niet gehinderd door enige kennis van zaken. Zo kon het gebeuren dat hun vader zichzelf per ongeluk elektrocuteerde toen hij de elektriciteit aanlegde, en hun moeder dodelijk werd getroffen door een vallende baksteen van haar zelf gemetselde muur. Amelia en Cerise lieten dan ook op hun grafsteen zetten 'Doe Het Niet Zelf', als les voor anderen.
Sinds de dood van hun ouders woonden Amelia en Cerise alleen in het grote kasteel. Ze leefden comfortabel, maar wel eenzaam, want in de wijde omtrek was geen ander kasteel of huis te zien. Ze brachten dan ook veel tijd door met chatten en msn-nen, en ze overwogen online dating.
'Oh Amelia,' verzuchtte Cerise elke avond, 'Mir fehlt ein Mann,' want ze volgde een cursus Duits bij de Loi, en moest veel oefenen.
Dan knikte Amelia en antwoordde hoopvol: 'Ooit zal hij toch wel komen? Sinds de komst van de TomTom zijn we een stuk beter te vinden.'
De dagen verstreken en werden weken, en de weken werden maanden, maar voordat ze jaren konden worden werd op een woensdag op de kasteeldeur geklopt. Op woensdag bestelden de prinsessen altijd pizza en dus renden ze allebei naar de deur. Na een korte schermutseling over wie mocht opendoen opende Cerise de deur en stond oog in oog met een waanzinnig knappe ridder, zijn lans fier geheven.
Zijn haar was ravenzwart zijn ogen doordringend blauw en zijn schouders Arnold Schwarzenegger breed. Cerise bezweek bijna bij zijn aanblik.
'Ben ik hier bij Doornroosje?' vroeg de ridder op gezwollen toon.
'Doornroosje is al jaren weg!' antwoord Cerise en voegde er veelbetekenend aan toe: 'Maar ik ben er wel!' en knipperde wulps met haar wimpers.
De ridder maakte een verschrikte beweging en deed een stapje terug.
Toen verscheen Amelia en tinkelde: 'Wees welkom, waanzinnig knappe ridder! Kunnen wij u iets aanbieden?'
De ridder staarde haar aan, en het leek wel of er een beetje kwijl uit zijn mondhoek liep.
Toen vermande hij zich en zei: 'Graag, schone jonkvrouwe!'
Vanuit haar mondhoek zei Amelia tegen Cerise: 'Bel snel nog een extra pizza! Doe maar met extra toppings. Hij ziet er uit of hij honger heeft!'
Toen haakte ze met een bezitterig gebaar haar arm door de arm van de waanzinnig knappe ridder en liep met hem de woonzaal in, waar het vuur knapperde en spatte en de vonken rondsprongen.
Cerise keek het stel met lede ogen na. Zo ging het al haar hele leven: altijd was haar zus de winnaar. Op dat moment besloot Cerise acuut zich op te geven voor Extreme Makeover. Ze had het al vaker overwogen, maar werd altijd afgeschrikt door de gezwollen neuzen en ballonvormige lippen van de kandidaten, om nog maar te zwijgen over de grote witte verbanden.
Om geen achterdocht te wekken bestelde ze eerst de extra pizza, maar wat Amelia niet wist, was dat ze op de hare de driedubbele portie knoflook bestelde. Cerise gniffelde in haar vuist en ging naar de woonkamer. Daar lagen Amelia en de waanzinnig knappe ridder voor het knapperende houtvuur te rollebollen.
Cerise kuchte discreet: 'Hmhm,' maar het stel hoorde haar niet dus deed ze het nog een keer 'HMHM!'
Amelia's lippen waren gezwollen en kersenrood en haar prachtige haar tuimelde om haar schouders toen ze eindelijk opkeek van haar ridder, die alleen maar oog had voor haar.
'Oh, uw borsten zijn als dadeltrossen,' vertelde hij Amelia, en Cerise snoof minachtend: 'Die tekst is ouder dan de kont van Sinterklaas,' maar het stel hoorde haar niet eens.
Chagrijnig beende ze het kamer weer uit op zoek naar het nummer van Extreme Makeover.
Net toen ze de telefoon weer neerlegde ging de deurbel, maar dit keer had ze de voordeur voor zich alleen want Amelia liet haar prins niet meer los. Nu was het inderdaad de pizzakoerier die haar drie pizza's overhandigde en wegscheurde op zijn scooter. Cerise verdeelde de pizza's over drie borden en lette er op dat ze de knoflookpizza aan Amelia gaf.
Genietend zaten ze te eten van de gesmolten kaas, knapperige paprika's en de geur van oregano. Amelia voerde de prins stukjes van haar pizza en hij bood op zijn beurt de zijne aan.
Cerise baalde als een stekker dat haar knoflookplan in het water viel en kondigde aan: 'Ik ga naar bed!'.
Amelia keek haar even onderzoekend aan en wenste haar toen welterusten. 'Ik zie je morgen, zus!'
'Niet als ik jou eerst zie,' mompelde Cerise en stampte naar boven, naar haar slaapkamer. Daar lag ze de hele nacht te woelen en vervloekte de schoonheid van haar zus, die aan haar grote neus voorbij was gegaan. En ze huilde bittere tranen van teleurstelling en eenzaamheid.
De volgende dag werd ze wakker van de geur van gebakken ei en koffie die naar boven dreef en haar naar de keuken lokte. Daar stond Amelia blootsvoets met haar gouden haar als een stralend aureool achter haar hoofd blootsvoets te koken.
Cerise keek zoekend om zich heen: 'Waar is Hij?'
Amelia keek haar liefdevol aan: 'Ik heb hem weggestuurd. Hij was zo oppervlakkig dat hij alleen maar mijn stralende schoonheid zag en niet geïnteresseerd was in mijn spitse geest. Hij zag jou niet eens staan door het bord voor je kop en de bokkenpruik op je hoofd. Toen besefte ik dat zusterliefde boven ridderliefde gaat.'
Ontroerd keek Cerise haar zus aan, en hield haar hand op voor een high five.
'Maar toch wil ik een make-over' zei ze, nadat ze elkaar omhelsd hadden.
'Geen probleem' zei Amelia, 'dat doen we gewoon zelf! Ongehinderd door enige kennis.'
Dat is immers zusterliefde.
Cerise daarentegen had zwart haar met daarop een bokkepruik, op haar voorhoofd zat een bord, en haar schoenen waren gevoerd met lood. Als Cerise lachte, krompen dieren in elkaar, katten bliezen kwaadaardig en kromden hun rug. Als Cerise praatte verbeeldden luisteraars zich dat ze kanongebulder hoorden.
Amelia en Cerise waren als de dag en de nacht, als de stralende zon en de ziekelijke maan. Samen bewoonden ze een groot kasteel, overwoekerd met doornstruiken, waar ooit Doornroosjes prins zich zo dapper doorheen had gevochten. Doornroosje en haar prins waren geëmigreerd naar Amerika, en hadden het kasteel verkocht aan de ouders van Amelia en Cerise.
Omdat die een beperkt budget hadden besloten de ouders van Amelia en Cerise de renovatie zelf te doen, daarbij niet gehinderd door enige kennis van zaken. Zo kon het gebeuren dat hun vader zichzelf per ongeluk elektrocuteerde toen hij de elektriciteit aanlegde, en hun moeder dodelijk werd getroffen door een vallende baksteen van haar zelf gemetselde muur. Amelia en Cerise lieten dan ook op hun grafsteen zetten 'Doe Het Niet Zelf', als les voor anderen.
Sinds de dood van hun ouders woonden Amelia en Cerise alleen in het grote kasteel. Ze leefden comfortabel, maar wel eenzaam, want in de wijde omtrek was geen ander kasteel of huis te zien. Ze brachten dan ook veel tijd door met chatten en msn-nen, en ze overwogen online dating.
'Oh Amelia,' verzuchtte Cerise elke avond, 'Mir fehlt ein Mann,' want ze volgde een cursus Duits bij de Loi, en moest veel oefenen.
Dan knikte Amelia en antwoordde hoopvol: 'Ooit zal hij toch wel komen? Sinds de komst van de TomTom zijn we een stuk beter te vinden.'
De dagen verstreken en werden weken, en de weken werden maanden, maar voordat ze jaren konden worden werd op een woensdag op de kasteeldeur geklopt. Op woensdag bestelden de prinsessen altijd pizza en dus renden ze allebei naar de deur. Na een korte schermutseling over wie mocht opendoen opende Cerise de deur en stond oog in oog met een waanzinnig knappe ridder, zijn lans fier geheven.
Zijn haar was ravenzwart zijn ogen doordringend blauw en zijn schouders Arnold Schwarzenegger breed. Cerise bezweek bijna bij zijn aanblik.
'Ben ik hier bij Doornroosje?' vroeg de ridder op gezwollen toon.
'Doornroosje is al jaren weg!' antwoord Cerise en voegde er veelbetekenend aan toe: 'Maar ik ben er wel!' en knipperde wulps met haar wimpers.
De ridder maakte een verschrikte beweging en deed een stapje terug.
Toen verscheen Amelia en tinkelde: 'Wees welkom, waanzinnig knappe ridder! Kunnen wij u iets aanbieden?'
De ridder staarde haar aan, en het leek wel of er een beetje kwijl uit zijn mondhoek liep.
Toen vermande hij zich en zei: 'Graag, schone jonkvrouwe!'
Vanuit haar mondhoek zei Amelia tegen Cerise: 'Bel snel nog een extra pizza! Doe maar met extra toppings. Hij ziet er uit of hij honger heeft!'
Toen haakte ze met een bezitterig gebaar haar arm door de arm van de waanzinnig knappe ridder en liep met hem de woonzaal in, waar het vuur knapperde en spatte en de vonken rondsprongen.
Cerise keek het stel met lede ogen na. Zo ging het al haar hele leven: altijd was haar zus de winnaar. Op dat moment besloot Cerise acuut zich op te geven voor Extreme Makeover. Ze had het al vaker overwogen, maar werd altijd afgeschrikt door de gezwollen neuzen en ballonvormige lippen van de kandidaten, om nog maar te zwijgen over de grote witte verbanden.
Om geen achterdocht te wekken bestelde ze eerst de extra pizza, maar wat Amelia niet wist, was dat ze op de hare de driedubbele portie knoflook bestelde. Cerise gniffelde in haar vuist en ging naar de woonkamer. Daar lagen Amelia en de waanzinnig knappe ridder voor het knapperende houtvuur te rollebollen.
Cerise kuchte discreet: 'Hmhm,' maar het stel hoorde haar niet dus deed ze het nog een keer 'HMHM!'
Amelia's lippen waren gezwollen en kersenrood en haar prachtige haar tuimelde om haar schouders toen ze eindelijk opkeek van haar ridder, die alleen maar oog had voor haar.
'Oh, uw borsten zijn als dadeltrossen,' vertelde hij Amelia, en Cerise snoof minachtend: 'Die tekst is ouder dan de kont van Sinterklaas,' maar het stel hoorde haar niet eens.
Chagrijnig beende ze het kamer weer uit op zoek naar het nummer van Extreme Makeover.
Net toen ze de telefoon weer neerlegde ging de deurbel, maar dit keer had ze de voordeur voor zich alleen want Amelia liet haar prins niet meer los. Nu was het inderdaad de pizzakoerier die haar drie pizza's overhandigde en wegscheurde op zijn scooter. Cerise verdeelde de pizza's over drie borden en lette er op dat ze de knoflookpizza aan Amelia gaf.
Genietend zaten ze te eten van de gesmolten kaas, knapperige paprika's en de geur van oregano. Amelia voerde de prins stukjes van haar pizza en hij bood op zijn beurt de zijne aan.
Cerise baalde als een stekker dat haar knoflookplan in het water viel en kondigde aan: 'Ik ga naar bed!'.
Amelia keek haar even onderzoekend aan en wenste haar toen welterusten. 'Ik zie je morgen, zus!'
'Niet als ik jou eerst zie,' mompelde Cerise en stampte naar boven, naar haar slaapkamer. Daar lag ze de hele nacht te woelen en vervloekte de schoonheid van haar zus, die aan haar grote neus voorbij was gegaan. En ze huilde bittere tranen van teleurstelling en eenzaamheid.
De volgende dag werd ze wakker van de geur van gebakken ei en koffie die naar boven dreef en haar naar de keuken lokte. Daar stond Amelia blootsvoets met haar gouden haar als een stralend aureool achter haar hoofd blootsvoets te koken.
Cerise keek zoekend om zich heen: 'Waar is Hij?'
Amelia keek haar liefdevol aan: 'Ik heb hem weggestuurd. Hij was zo oppervlakkig dat hij alleen maar mijn stralende schoonheid zag en niet geïnteresseerd was in mijn spitse geest. Hij zag jou niet eens staan door het bord voor je kop en de bokkenpruik op je hoofd. Toen besefte ik dat zusterliefde boven ridderliefde gaat.'
Ontroerd keek Cerise haar zus aan, en hield haar hand op voor een high five.
'Maar toch wil ik een make-over' zei ze, nadat ze elkaar omhelsd hadden.
'Geen probleem' zei Amelia, 'dat doen we gewoon zelf! Ongehinderd door enige kennis.'
Dat is immers zusterliefde.
De val
Toen Tom en Anne de volgende stap op de ladder van hun carrière zetten konden ze niet bevroeden dat, de toch zo ferm uitziende, sport zou breken. Bekend als het gouden duo dat de Senseo koffiepad samenbracht met het Senseo apparaat was hun tocht naar de top duizelingwekkend. Maar toch is dat precies wat er gebeurde, en Tom en Anne vielen diep.
En in hun tuimeling naar beneden verloren ze elkaar. Want terwijl Tom als een soort Alice in Wonderland ongehinderd naar beneden tuimelde wist Anne een sport van de ladder te grijpen en haar val te breken.
Daar bungelde Anne terwijl Tom verder viel. Ze keek omlaag en zag hem gaan, maar kon hem niet redden. Het kostte al haar kracht om zich vast te houden aan de laddersport. Moeizaam trok ze zichzelf op tot zittende positie en nam haar situatie in ogenschouw. Hoewel ze flink gekelderd was, was ze niet helemaal van de ladder gevallen, in tegenstelling tot Tom.
'Hee Tom! Gaat het?' riep Anne naar beneden.
Tom kwam overeind en klopte zichzelf af, waarna hij naar boven keek en terugriep: 'Ja, het gaat wel. En jij?'
'Ook goed!'
'Wat gebeurde er?'
'Ik zei toch dat Paracetamolpads een stap te ver gingen!'
'Dat geloof ik nu ook,' klonk het van beneden.
'Kun je niet weer omhoog klimmen?'
Tom zette voorzichtig zijn voet op de eerste sport, maar voelde die onverbiddelijk meegeven onder zijn gewicht.
'Hij houdt me niet!' riep hij naar boven.
'Probeer de volgende tree dan!'
Maar welke tree Tom ook probeerde, allemaal braken ze onder zijn gewicht waardoor hij telkens hulpeloos naar beneden gleed.
Anne moest machteloos toekijken hoe Tom keer op keer tevergeefs naar boven probeerde te klimmen. Uiteindelijk beseften ze beiden dat het Tom niet zou lukken weer boven te komen.
Toen stelde Tom de vraag: 'Kom jij dan naar beneden?'
Daar zat Anne, halverwege de ladder die ze vol moed en ambitie had beklommen en geloofde haar oren niet. Vroeg Tom haar nu werkelijk om naar beneden te klimmen? Ze probeerde er een grapje van te maken en zei: 'Is dat niet de verkeerde kant op?'
Maar Tom lachte niet en zei: 'Ik ben toch ook beneden?'
Maar dat jij onderaan de ladder staat hoeft toch geen reden te zijn dat ik ook naar beneden moet?
Verbolgen riep Tom: 'Lekker is dat. Laat je mij in mijn eentje hier beneden?'
Maar Anne luisterde niet, want van bovenaf staken mensen hun handen uit om haar verder omhoog te helpen.
'Red jezelf!' riepen ze tegen haar, en met een laatste blik op Tom besloot Anne de helpende handen te grijpen.
Met lede ogen zag Tom haar gaan.
'Ik zie je vanavond!' riep Anne nog voor ze uit zijn zicht verdween.
Verongelijkt keek Tom om zich heen en vroeg zich af wat hij zou doen. Nu hij van de carrièreladder was gevallen strekte de dag zich als een blank canvas voor hem uit, en hij had geen enkel benul wat hij er mee moest. Zijn leven had altijd voor hem gelegen als een routebeschrijving met de snelste en kortste weg omhoog naar de top. Hij besloot een kop koffie te gaan drinken en zich te bezinnen over zijn volgende stap.
Tom was halverwege de carrièreladder toen hij Anne ontmoette en was blij met iemand die dezelfde vastberadenheid aan de dag legde als hij, en samen klommen ze verder omhoog. Maar nu was alles anders. Hij was van zijn ladder gevallen en Anne ging zonder hem verder.
Hij besloot de poten onder de ladder vandaan te zagen en haar zo bij hem terug te brengen. En hij liep in de richting van de Praxis om een kettingzaag te kopen toen hij getroffen werd door een lieflijk tafereel.
Daar, op een bankje in het park zag hij een vader met een peutertje wandelen. De vader teder naar het kind voorovergebogen, het knuistje van het kind in zijn hand. Plotseling voelde Tom een onweerstaanbaar verlangen naar zo'n knuistje in zijn hand. Het verlangen deed hem stokken in zijn voetstappen.
Hij was altijd zo druk geweest met het beklimmen van zijn carrièreladder dat hij nooit had nagedacht over zaken als kinderen of vaderschap. Plotseling zag hij een hele nieuwe ladder voor zich om te beklimmen. De ladder van het vaderschap. Opnieuw dacht hij aan Anne die er in geslaagd was op de carrièreladder te blijven, maar nu zonder wrok. En in gedachten zette hij zijn nieuwe ladder naast de hare en klom naar haar hoogte.
En eenmaal daar had hij een fantastisch idee voor babymelk in padvorm.
En in hun tuimeling naar beneden verloren ze elkaar. Want terwijl Tom als een soort Alice in Wonderland ongehinderd naar beneden tuimelde wist Anne een sport van de ladder te grijpen en haar val te breken.
Daar bungelde Anne terwijl Tom verder viel. Ze keek omlaag en zag hem gaan, maar kon hem niet redden. Het kostte al haar kracht om zich vast te houden aan de laddersport. Moeizaam trok ze zichzelf op tot zittende positie en nam haar situatie in ogenschouw. Hoewel ze flink gekelderd was, was ze niet helemaal van de ladder gevallen, in tegenstelling tot Tom.
'Hee Tom! Gaat het?' riep Anne naar beneden.
Tom kwam overeind en klopte zichzelf af, waarna hij naar boven keek en terugriep: 'Ja, het gaat wel. En jij?'
'Ook goed!'
'Wat gebeurde er?'
'Ik zei toch dat Paracetamolpads een stap te ver gingen!'
'Dat geloof ik nu ook,' klonk het van beneden.
'Kun je niet weer omhoog klimmen?'
Tom zette voorzichtig zijn voet op de eerste sport, maar voelde die onverbiddelijk meegeven onder zijn gewicht.
'Hij houdt me niet!' riep hij naar boven.
'Probeer de volgende tree dan!'
Maar welke tree Tom ook probeerde, allemaal braken ze onder zijn gewicht waardoor hij telkens hulpeloos naar beneden gleed.
Anne moest machteloos toekijken hoe Tom keer op keer tevergeefs naar boven probeerde te klimmen. Uiteindelijk beseften ze beiden dat het Tom niet zou lukken weer boven te komen.
Toen stelde Tom de vraag: 'Kom jij dan naar beneden?'
Daar zat Anne, halverwege de ladder die ze vol moed en ambitie had beklommen en geloofde haar oren niet. Vroeg Tom haar nu werkelijk om naar beneden te klimmen? Ze probeerde er een grapje van te maken en zei: 'Is dat niet de verkeerde kant op?'
Maar Tom lachte niet en zei: 'Ik ben toch ook beneden?'
Maar dat jij onderaan de ladder staat hoeft toch geen reden te zijn dat ik ook naar beneden moet?
Verbolgen riep Tom: 'Lekker is dat. Laat je mij in mijn eentje hier beneden?'
Maar Anne luisterde niet, want van bovenaf staken mensen hun handen uit om haar verder omhoog te helpen.
'Red jezelf!' riepen ze tegen haar, en met een laatste blik op Tom besloot Anne de helpende handen te grijpen.
Met lede ogen zag Tom haar gaan.
'Ik zie je vanavond!' riep Anne nog voor ze uit zijn zicht verdween.
Verongelijkt keek Tom om zich heen en vroeg zich af wat hij zou doen. Nu hij van de carrièreladder was gevallen strekte de dag zich als een blank canvas voor hem uit, en hij had geen enkel benul wat hij er mee moest. Zijn leven had altijd voor hem gelegen als een routebeschrijving met de snelste en kortste weg omhoog naar de top. Hij besloot een kop koffie te gaan drinken en zich te bezinnen over zijn volgende stap.
Tom was halverwege de carrièreladder toen hij Anne ontmoette en was blij met iemand die dezelfde vastberadenheid aan de dag legde als hij, en samen klommen ze verder omhoog. Maar nu was alles anders. Hij was van zijn ladder gevallen en Anne ging zonder hem verder.
Hij besloot de poten onder de ladder vandaan te zagen en haar zo bij hem terug te brengen. En hij liep in de richting van de Praxis om een kettingzaag te kopen toen hij getroffen werd door een lieflijk tafereel.
Daar, op een bankje in het park zag hij een vader met een peutertje wandelen. De vader teder naar het kind voorovergebogen, het knuistje van het kind in zijn hand. Plotseling voelde Tom een onweerstaanbaar verlangen naar zo'n knuistje in zijn hand. Het verlangen deed hem stokken in zijn voetstappen.
Hij was altijd zo druk geweest met het beklimmen van zijn carrièreladder dat hij nooit had nagedacht over zaken als kinderen of vaderschap. Plotseling zag hij een hele nieuwe ladder voor zich om te beklimmen. De ladder van het vaderschap. Opnieuw dacht hij aan Anne die er in geslaagd was op de carrièreladder te blijven, maar nu zonder wrok. En in gedachten zette hij zijn nieuwe ladder naast de hare en klom naar haar hoogte.
En eenmaal daar had hij een fantastisch idee voor babymelk in padvorm.
Op verhaal komen
Huiverend van de kou belde ze aan. Aan de andere kant van de deur hoorde ze sloffende voetstappen de deur naderen, gevolgd door een beverige stem die riep: 'Jaaa?'
'Ik kom op verhaal!' riep ze door de deur, en stampte met haar voeten op de besneeuwde stoep om de kou uit haar voeten te verjagen.
Aan de andere kant van de deur klonk het geluid van rammelende sleutels en grendels die werden verschoven. Krakend en piepend ging de deur open, en een oud, grijs mannetje werd zichtbaar. Hij stond zo krom gebogen dat hij maar tot haar boezem rijkte.
'Bent u Plot?' vroeg het mannetje met beverige stem.
'Jazeker', antwoordde ze trots.
'Want het zou beslist niet voldoen de Plot te verliezen. Nee, dat zou niet best zijn,' mompelde het mannetje als in zichzelf.
Eindelijk schoof hij de deur helemaal open en stapte opzij om haar binnen te laten. Dankbaar stapte ze de warmte van de gang in, die rijk gedecoreerd was met wijnrode lopers en oude schilderijen met jachttaferelen, die op hun beurt ook weer gedecoreerd waren met kerstornamenten. Op de achtergrond zong Bing Crosby zachtjes dat hij droomde van een witte kerstmis.
Het mannetje wenkte haar mee naar boven en ging haar voor op een trap, eveneens bekleed met een wijnrode loper, die op zijn plek werd gehouden met gouden roedes. De trap kwam uit op een overloop die overging in een lange gang met daaraan deuren genummerd van een tot en met vier.
Met een weids gebaar opende het mannetje deur nummer één voor haar, en maakte een aanmoedigend gebaar naar binnen te treden. De kamer verwelkomde haar binnen met een vriendelijk openhaard vuur, en een uitnodigend bed met frisse, strak gestreken lakens. In de rechterhoek prijkte een kerstboom, uitbundig versierd met rode en witte kerstballen. Verheugd stapte ze naar binnen, maar herinnerde zich toen iets.
'Is Protagonist er al?' vroeg ze.
Het mannetje knikte en kondigde toen aan: 'Het diner wordt geserveerd om zes uur', en slofte weer naar beneden.
Uitgelaten gooide ze zichzelf achterover op het bed.Voor het eerst was ze tevreden over het verhaal van haar leven: alles was zoals het moest zijn, een succesverhaal.
Om klokslag zes uur ging ze naar beneden voor het diner, gekleed in een roodfluwelen avondjurk, en in haar oren twee kerstballen als kokette verwijzing naar kerstmis.
Daar, onder aan de trap stonden haar disgenoten: Protagonist, Conflict en Setting al op haar te wachten. Met haar, de plot, erbij was haar verhaal compleet.
Vanaf haar hoge positie bovenaan de trap keek ze koninklijk op ze neer en gaf ze een hoofse knik, om vervolgens gracieus af te dalen.
Waren het zenuwen? Was het een losliggende roede? Plotseling voelde ze de loper onder zich uitschieten, en viel ze in een lawine van rood fluweel van de trap, om als een kapotte lappenpop aan de voeten van Protagonist, Conflict en Setting te eindigen. In haar hals stak een scherf van een rode kerstbal die ooit een oorbel was, waaruit rood het bloed vloeide.
'Wie had gedacht dat mijn verhaal een tragedie zou zijn,' fluisterde ze, terwijl Protagonist, Conflict en Setting tevreden knikten.
'Ik kom op verhaal!' riep ze door de deur, en stampte met haar voeten op de besneeuwde stoep om de kou uit haar voeten te verjagen.
Aan de andere kant van de deur klonk het geluid van rammelende sleutels en grendels die werden verschoven. Krakend en piepend ging de deur open, en een oud, grijs mannetje werd zichtbaar. Hij stond zo krom gebogen dat hij maar tot haar boezem rijkte.
'Bent u Plot?' vroeg het mannetje met beverige stem.
'Jazeker', antwoordde ze trots.
'Want het zou beslist niet voldoen de Plot te verliezen. Nee, dat zou niet best zijn,' mompelde het mannetje als in zichzelf.
Eindelijk schoof hij de deur helemaal open en stapte opzij om haar binnen te laten. Dankbaar stapte ze de warmte van de gang in, die rijk gedecoreerd was met wijnrode lopers en oude schilderijen met jachttaferelen, die op hun beurt ook weer gedecoreerd waren met kerstornamenten. Op de achtergrond zong Bing Crosby zachtjes dat hij droomde van een witte kerstmis.
Het mannetje wenkte haar mee naar boven en ging haar voor op een trap, eveneens bekleed met een wijnrode loper, die op zijn plek werd gehouden met gouden roedes. De trap kwam uit op een overloop die overging in een lange gang met daaraan deuren genummerd van een tot en met vier.
Met een weids gebaar opende het mannetje deur nummer één voor haar, en maakte een aanmoedigend gebaar naar binnen te treden. De kamer verwelkomde haar binnen met een vriendelijk openhaard vuur, en een uitnodigend bed met frisse, strak gestreken lakens. In de rechterhoek prijkte een kerstboom, uitbundig versierd met rode en witte kerstballen. Verheugd stapte ze naar binnen, maar herinnerde zich toen iets.
'Is Protagonist er al?' vroeg ze.
Het mannetje knikte en kondigde toen aan: 'Het diner wordt geserveerd om zes uur', en slofte weer naar beneden.
Uitgelaten gooide ze zichzelf achterover op het bed.Voor het eerst was ze tevreden over het verhaal van haar leven: alles was zoals het moest zijn, een succesverhaal.
Om klokslag zes uur ging ze naar beneden voor het diner, gekleed in een roodfluwelen avondjurk, en in haar oren twee kerstballen als kokette verwijzing naar kerstmis.
Daar, onder aan de trap stonden haar disgenoten: Protagonist, Conflict en Setting al op haar te wachten. Met haar, de plot, erbij was haar verhaal compleet.
Vanaf haar hoge positie bovenaan de trap keek ze koninklijk op ze neer en gaf ze een hoofse knik, om vervolgens gracieus af te dalen.
Waren het zenuwen? Was het een losliggende roede? Plotseling voelde ze de loper onder zich uitschieten, en viel ze in een lawine van rood fluweel van de trap, om als een kapotte lappenpop aan de voeten van Protagonist, Conflict en Setting te eindigen. In haar hals stak een scherf van een rode kerstbal die ooit een oorbel was, waaruit rood het bloed vloeide.
'Wie had gedacht dat mijn verhaal een tragedie zou zijn,' fluisterde ze, terwijl Protagonist, Conflict en Setting tevreden knikten.
Hoe Beertje even niet meer eenzaam was
Hoewel Beertje niet anders wilde zijn dan de andere kinderen op school, was ze het toch. Althans, dat vonden de andere kinderen. Dus bleven voor Beertje de groepsgelederen ferm gesloten. Uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes, speelafspraakjes, ze gingen unaniem aan Beertje voorbij. Dus stond ze altijd alleen op het schoolplein en probeerde eruit te zien alsof ze het niet erg vond dat zij als enige alleen naar huis ging. Ja, je kunt wel zeggen dat Beertje eenzaam was.
Tot op een dag ze plotseling niet meer eenzaam was. Dat was de dag dat Walter en Wouter haar opwachten toen ze naar huis fietste. Ze zag ze al vanuit de verte staan. Ze hadden grote, zwarte bivakmutsen op, die hun hele gezicht bedekten, en alleen hun ogen vrij lieten. Wouter en Walter hadden hun fietsen zo neergezet dat ze de weg versperden, en Beertje moest noodgedwongen afstappen.
'Zo Beertje,' zei Wouter op dreigende toon 'weet je moeder wel dat jij hier bent?'
'Weet jouw moeder dat jij hier bent?' vroeg Beertje op haar beurt.
Wouter keek verbluft, en toen hulpzoekend naar Walter, die zei: 'Weet je vader wel dat jij hier bent?'
'En weet jouw vader dat jij hier bent?' herhaalde Beertje.
Wouter en Walter krabden zich op hun hoofd, en wierpen elkaar vragende blikken toe. Beertje keek belangstellend toe en merkte toen op: 'Wat hebben jullie spannende bivakmutsen op.'
De jongens keken haar blij verrast aan, en zeiden: 'Ja, die hebben we zelf gebreid! Bij de Wibra zijn de breinaalden in de aanbieding! Voor maar één euro heb je er twee. En als je hele dikke neemt, schiet het lekker op. We hadden deze mutsen in één middagje klaar. Maar pas op voor de nekpartij, want die is erg lastig.'
'Nou dan ga ik er meteen maar even naar toe Walter en Wouter', zei Beertje.
'Mag ik er even door?'
Gewillig schoven de jongens hun fietsen opzij.
'Zullen we anders even meefietsen?' boden ze aan.
Omdat Beertje eigenlijk niet wist waar de Wibra was, stemde ze toe. Bovendien was ze allang blij dat ze even niet meer eenzaam was. De weg naar de Wibra was lang, en voerde door een dicht bos. Het zonlicht filterde door de bomen en maakte grillige patronen op de weg die was bezaaid met herfstblaadjes. Zwijgend fietsten de drie door het bos, en Beertje pijnigde haar hoofd voor wat leuk conversatiemateriaal.
'Is dat niet heet? Zo'n muts helemaal over je gezicht? vroeg ze tenslotte.
'Valt wel mee hoor,' bromde Walter, en Wouter knikte instemmend waarop de conversatie weer stilviel.
Na een half uur bereikten ze de Wibra, met zijn felrode gevel waarop in gele letters zwierig 'Wibra' stond geschreven. De jongens slingerden hun fietsen onverschillig tegen een lantaarnpaal en wachtten tot Beertje haar fiets in een fietsenstandaard had geparkeerd.
'Zetten jullie je fiets niet op slot?' vroeg Beertje.
'Neuh...' schokschouderden de jongens, 'veel te veel gedoe.'
Even aarzelde Beertje of ze de hare ook gewoon zou neerzetten, maar toen dacht ze aan haar ouders en wat die zouden zeggen als ze hoorden dat ze haar fiets zomaar in de stad had gezet zonder beveiliging. Dus pakte ze haar zware fietsketting, haalde die drie keer door het wiel, draaide hem om de fietsenstandaard en maakte hem vast.
'Zo!' zei ze opgewekt, ' ik ben klaar.'
De jongens stonden met hun handen in hun zakken en keken ongeïnteresseerd om zich heen, maar veerden op bij haar woorden.
'Mooi! Dan gaan we naar binnen.'
'En', voegde Walter er aan toe: 'Ik wil zelf ook nog even voor rode wol kijken, want zwart staat soms zo crimineel.'
Ze liepen langs de koopjesrekken die buiten stonden, waaraan felgekleurde truien en broeken hingen, naar binnen. Hun binnenkomst had een onverwacht effect op de caissiere, die wit wegtrok en haar handen in de lucht stak.
'Wat willen jullie? vroeg ze met trillende stem.
'Wij zijn op zoek naar breinaalden en rode wol!' zei Beertje opgewekt.
Met een bevende vinger wees de caissiere de winkel in, naar een hoek achteraan, waar inderdaad allerlei bollen wol prijkten. Ze liepen de winkel in terwijl het winkelende publiek voor hen achteruit week. Beertje haalde haar schouders op: ze was dit soort gedrag immers gewend van school. Ze kwamen aan bij de wol en breipennen, en Beertje pakte er een willekeurige set breipennen uit.
'Zijn dit goede?' vroeg ze, en draaide zich om met in iedere hand een breipen, dikte veertien. De jongens bekeken ze met goedkeurende blikken.
'Nou', zei Walter, die zijn nog dikker dan die wij gebruikt hebben.
'Ja,' knikte Wouter, 'die van ons waren maar dikte twaalf. Laten wij ook wat van die hele dikke kopen, dan kunnen we nog sneller breien, Walter!' Alledrie grepen ze drie van de dikke breipennen, en de jongens voerden even een jolig zwaardgevecht uit, waarbij ze de breinaalden tegen elkaar lieten kletteren.
'Ik ook,' riep Beertje, en pareerde enkele breinaaldsteken van Walter. Ze voelde zich gelukkig nu ze even niet meer eenzaam was.
Walter pakte een paar bloedrode bollen wol, die hij aan zijn borst klemde.
'Hee Walter!' riep Wouter, 'je lijkt wel gewond!'
Inderdaad leken de bloedrode bollen wol wel wat op een zware kogelwond.
Walter draaide dramatisch met zijn ogen, en deed alsof hij ter aarde stortte. Giebelend liepen ze naar de kassa, waar de kassière wilde gebaren stond te maken naar iemand achter in de winkel. Toen ze hen zag aankomen hield ze er snel mee op, en deed alsof ze druk bezig was.
'Hier, dit willen we!' zeiden ze en hielden haar hun breinaalden voor.
De kassière deinsde achteruit met haar handen in de lucht en zei: 'Neem ze maar mee!' maar doe me alsjeblieft niks.
'Huh?' zeiden Walter en Wouter vanuit hun bivakmutsen.
'We willen alleen maar deze breinaalden kopen,' en om hun woorden kracht bij te zetten prikten ze met de breinaalden in de borst van de kassiere, die in katzwijm leek te vallen.
Plotseling was er achter hen commotie, en toen ze omkeken zagen ze enkele politieagenten die druk in walkie talkies praatten op hen afkomen.
De dikste agent riep: 'Jullie daar bij de kassa, willen jullie onmiddellijk de breinaalden neerleggen?! Ik herhaal: leg die breinaalden neer!'
'Bedoelt u deze breinaalden meneer, dikte veertien?' vroeg Beertje en hield ze behulpzaam naar voren. De agent deed een snelle stap naar voren en griste ze uit haar handen.
'Wow', zei Walter, 'chill out zeg!' Wat is er aan de hand?' en zwaaide wild met de zijne. Maar voor hij 'fuck' kon zeggen greep een andere agent ook zijn breinaalden en die van Wouter.
'Gaan jullie maar eens met ons naar het bureau.' zei de agent. 'Jullie hebben heel wat uit te leggen.'
Tot op een dag ze plotseling niet meer eenzaam was. Dat was de dag dat Walter en Wouter haar opwachten toen ze naar huis fietste. Ze zag ze al vanuit de verte staan. Ze hadden grote, zwarte bivakmutsen op, die hun hele gezicht bedekten, en alleen hun ogen vrij lieten. Wouter en Walter hadden hun fietsen zo neergezet dat ze de weg versperden, en Beertje moest noodgedwongen afstappen.
'Zo Beertje,' zei Wouter op dreigende toon 'weet je moeder wel dat jij hier bent?'
'Weet jouw moeder dat jij hier bent?' vroeg Beertje op haar beurt.
Wouter keek verbluft, en toen hulpzoekend naar Walter, die zei: 'Weet je vader wel dat jij hier bent?'
'En weet jouw vader dat jij hier bent?' herhaalde Beertje.
Wouter en Walter krabden zich op hun hoofd, en wierpen elkaar vragende blikken toe. Beertje keek belangstellend toe en merkte toen op: 'Wat hebben jullie spannende bivakmutsen op.'
De jongens keken haar blij verrast aan, en zeiden: 'Ja, die hebben we zelf gebreid! Bij de Wibra zijn de breinaalden in de aanbieding! Voor maar één euro heb je er twee. En als je hele dikke neemt, schiet het lekker op. We hadden deze mutsen in één middagje klaar. Maar pas op voor de nekpartij, want die is erg lastig.'
'Nou dan ga ik er meteen maar even naar toe Walter en Wouter', zei Beertje.
'Mag ik er even door?'
Gewillig schoven de jongens hun fietsen opzij.
'Zullen we anders even meefietsen?' boden ze aan.
Omdat Beertje eigenlijk niet wist waar de Wibra was, stemde ze toe. Bovendien was ze allang blij dat ze even niet meer eenzaam was. De weg naar de Wibra was lang, en voerde door een dicht bos. Het zonlicht filterde door de bomen en maakte grillige patronen op de weg die was bezaaid met herfstblaadjes. Zwijgend fietsten de drie door het bos, en Beertje pijnigde haar hoofd voor wat leuk conversatiemateriaal.
'Is dat niet heet? Zo'n muts helemaal over je gezicht? vroeg ze tenslotte.
'Valt wel mee hoor,' bromde Walter, en Wouter knikte instemmend waarop de conversatie weer stilviel.
Na een half uur bereikten ze de Wibra, met zijn felrode gevel waarop in gele letters zwierig 'Wibra' stond geschreven. De jongens slingerden hun fietsen onverschillig tegen een lantaarnpaal en wachtten tot Beertje haar fiets in een fietsenstandaard had geparkeerd.
'Zetten jullie je fiets niet op slot?' vroeg Beertje.
'Neuh...' schokschouderden de jongens, 'veel te veel gedoe.'
Even aarzelde Beertje of ze de hare ook gewoon zou neerzetten, maar toen dacht ze aan haar ouders en wat die zouden zeggen als ze hoorden dat ze haar fiets zomaar in de stad had gezet zonder beveiliging. Dus pakte ze haar zware fietsketting, haalde die drie keer door het wiel, draaide hem om de fietsenstandaard en maakte hem vast.
'Zo!' zei ze opgewekt, ' ik ben klaar.'
De jongens stonden met hun handen in hun zakken en keken ongeïnteresseerd om zich heen, maar veerden op bij haar woorden.
'Mooi! Dan gaan we naar binnen.'
'En', voegde Walter er aan toe: 'Ik wil zelf ook nog even voor rode wol kijken, want zwart staat soms zo crimineel.'
Ze liepen langs de koopjesrekken die buiten stonden, waaraan felgekleurde truien en broeken hingen, naar binnen. Hun binnenkomst had een onverwacht effect op de caissiere, die wit wegtrok en haar handen in de lucht stak.
'Wat willen jullie? vroeg ze met trillende stem.
'Wij zijn op zoek naar breinaalden en rode wol!' zei Beertje opgewekt.
Met een bevende vinger wees de caissiere de winkel in, naar een hoek achteraan, waar inderdaad allerlei bollen wol prijkten. Ze liepen de winkel in terwijl het winkelende publiek voor hen achteruit week. Beertje haalde haar schouders op: ze was dit soort gedrag immers gewend van school. Ze kwamen aan bij de wol en breipennen, en Beertje pakte er een willekeurige set breipennen uit.
'Zijn dit goede?' vroeg ze, en draaide zich om met in iedere hand een breipen, dikte veertien. De jongens bekeken ze met goedkeurende blikken.
'Nou', zei Walter, die zijn nog dikker dan die wij gebruikt hebben.
'Ja,' knikte Wouter, 'die van ons waren maar dikte twaalf. Laten wij ook wat van die hele dikke kopen, dan kunnen we nog sneller breien, Walter!' Alledrie grepen ze drie van de dikke breipennen, en de jongens voerden even een jolig zwaardgevecht uit, waarbij ze de breinaalden tegen elkaar lieten kletteren.
'Ik ook,' riep Beertje, en pareerde enkele breinaaldsteken van Walter. Ze voelde zich gelukkig nu ze even niet meer eenzaam was.
Walter pakte een paar bloedrode bollen wol, die hij aan zijn borst klemde.
'Hee Walter!' riep Wouter, 'je lijkt wel gewond!'
Inderdaad leken de bloedrode bollen wol wel wat op een zware kogelwond.
Walter draaide dramatisch met zijn ogen, en deed alsof hij ter aarde stortte. Giebelend liepen ze naar de kassa, waar de kassière wilde gebaren stond te maken naar iemand achter in de winkel. Toen ze hen zag aankomen hield ze er snel mee op, en deed alsof ze druk bezig was.
'Hier, dit willen we!' zeiden ze en hielden haar hun breinaalden voor.
De kassière deinsde achteruit met haar handen in de lucht en zei: 'Neem ze maar mee!' maar doe me alsjeblieft niks.
'Huh?' zeiden Walter en Wouter vanuit hun bivakmutsen.
'We willen alleen maar deze breinaalden kopen,' en om hun woorden kracht bij te zetten prikten ze met de breinaalden in de borst van de kassiere, die in katzwijm leek te vallen.
Plotseling was er achter hen commotie, en toen ze omkeken zagen ze enkele politieagenten die druk in walkie talkies praatten op hen afkomen.
De dikste agent riep: 'Jullie daar bij de kassa, willen jullie onmiddellijk de breinaalden neerleggen?! Ik herhaal: leg die breinaalden neer!'
'Bedoelt u deze breinaalden meneer, dikte veertien?' vroeg Beertje en hield ze behulpzaam naar voren. De agent deed een snelle stap naar voren en griste ze uit haar handen.
'Wow', zei Walter, 'chill out zeg!' Wat is er aan de hand?' en zwaaide wild met de zijne. Maar voor hij 'fuck' kon zeggen greep een andere agent ook zijn breinaalden en die van Wouter.
'Gaan jullie maar eens met ons naar het bureau.' zei de agent. 'Jullie hebben heel wat uit te leggen.'
Briljant
Ilse was Uitvindster. Tenminste, zo gauw ze iets had uitgevonden. Zover was ze nog niet gekomen, maar ze wist zeker dat het slechts een kwestie van tijd was. Diep in haar verborgen zat een briljant idee alleen maar te wachten tot de tijd rijp was. Zelf vond ze de tijd allang rijp, maar het briljante idee dacht er blijkbaar anders over en zweeg hardnekkig.
Soms herkende ze het bij anderen, in de vorm van briljante uitvindingen als een Luizencape, een Senseo koffieapparaat of een nieuw dieet. Dan vervloekte Ilse zichzelf dat zij daar niet was opgekomen. Dan zou ze haar eigen briljante idee wel met geweld naar buiten willen trekken.
Geregeld riep ze daarom heel hard in zichzelf: 'Briljant idee?! Briljant idee? Hoort u mij? Ik weet dat u er bent! Wanneer komt u nou eindelijk eens naar buiten?'
Haar briljante idee hulde zich echter in nevelen van geheimzinnigheid en stilte. Toch meende ze soms een fluistering te horen die klonk als een zachte verzuchting: 'Als de tijd rijp is, als de tijd rijp is.'
'Als de tijd rijp is?' zei ze dan geërgerd in zichzelf. 'Wat mij betreft is de tijd meer dan rijp. Ik zou zelfs durven beweren dat de tijd overrijp is. Sterker nog, als je het mij vraagt is hij over de uiterste houdbaarheidsdatum heen.'
Maar dat zei ze natuurlijk niet, want iedereen weet dat een briljante uitvinding met de nodige égards, en omzichtigheid moet worden benaderd. Wie te gretig is, of te wild, loopt kans dat zij sterft voor ze geboren wordt, of dat ze blijft hangen in een ongelukkig embyo-stadium. En niets is hopelozer dan een onvolgroeid idee, want dat is niet briljant.
Zuchtend boog Ilse zich dan maar weer over haar eindeloze reeks dagelijkse werkzaamheden, in afwachting van de geboorte van haar briljante idee. Terwijl ze vloeren dweilde, ramen lapte, was vouwde, afwaste, onkruid wiedde, stofzuigde en de bedden verschoonde als een moderne Assepoester, dacht ze verlangend aan dat moment waarop haar briljante idee zich aan haar zou onthullen. Dan stelde ze zich voor hoe roem en geld haar deel zouden worden. Hoe ze zou wonen in een huis als een paleis, hoe ze zich zou uitrusten met briljanten en hoe ze nooit, nooit meer, zou stofzuigen of vloeren dweilen. Haar briljante idee zou haar bevrijden uit het keurslijf dat haar leven was.
Maar het wachten viel niet mee, vooral niet als de vrouwen wier briljante ideeën al wel geboren waren, uitgebreid aandacht kregen in de pers. Vooral J.K. Rowling, een collega-moeder met een briljante boekenserie en collega-moeder Sonja Bakker konden rekenen op Ilse's afgunst.
En 's avonds in het donker, in donkere momenten als ze de slaap niet kon vatten, twijfelde ze wel eens of haar briljante idee daadwerkelijk zou komen. Dan werden twijfels geboren in plaats van briljante ideeën. Knagende, zeurende twijfels.
'Wat denk je eigenlijk dat je briljante idee is? Misschien is dit het wel gewoon. Dit, je gewone, dagelijkse leven en moet je het daar maar mee doen, tot de dood er een eind aanmaakt. In plaats van steeds te kijken naar wat je niet hebt moet je kijken naar wat je wel hebt,' fluisterde dan een nasale, doordringende stem.
'Hou toch je mond', zei ze dan geërgerd .
'Wat moet ik met jou, en je negativiteit? Het is gewoon een kwestie van geloven! En ik geloof! Ik geloof.'
'Geloof je het zelf?' zei de nasale stem die altijd het laatste woord wilde hebben.
Zo gingen vijf jaren voorbij, en nog steeds had Ilse's briljante idee zich niet aangediend. Steeds vaker en luider hoorde ze 's nachts die nasale stem, tot ze hem zelfs overdag in haar oor hoorde fluisteren. Op een dag toen ze woest de kamer stofzuigde zei de nasale stem plotseling: 'Ilse, herken je mij dan niet?'
'Huh?', zei Ilse en stofzuigde nog wat harder.
De stem herhaalde 'Ilse, luister eens echt naar mij.'
Ilse keek nadenkend voor zich uit, en zei toen gelaten: 'Oké, ik luister, wat moet je nou weer?'
'Ik ben jouw briljante idee! Het briljante idee dat je in je hebt. Ik ben het idee dat je tevreden moet zijn met wat je hebt, in plaats van altijd te verlangen naar iets anders. Ik ben het klokje dat thuis het beste klinkt, ik ben de haard die goud waard is. Ik ben zo briljant dat ik een levenswijsheid ben.'
Verbluft zakte Ilse op haar stofzuiger neer, en zei een hele tijd niets. Toen kwam ze overeind en zei: 'Maar dat is briljant! Waarom ben je daar niet eerder mee gekomen! Nu is het alleen een kwestie van dit idee goed in de markt positioneren, de juiste campagne en promotie inzetten en dan word ik rijk, rijk, rijk! Ik zal baden in briljanten, ik zal vaarwel zeggen tegen mijn leven zoals het is. Briljant!'
'Ja,' zuchtte toen de nasale stem, 'briljant'.
Soms herkende ze het bij anderen, in de vorm van briljante uitvindingen als een Luizencape, een Senseo koffieapparaat of een nieuw dieet. Dan vervloekte Ilse zichzelf dat zij daar niet was opgekomen. Dan zou ze haar eigen briljante idee wel met geweld naar buiten willen trekken.
Geregeld riep ze daarom heel hard in zichzelf: 'Briljant idee?! Briljant idee? Hoort u mij? Ik weet dat u er bent! Wanneer komt u nou eindelijk eens naar buiten?'
Haar briljante idee hulde zich echter in nevelen van geheimzinnigheid en stilte. Toch meende ze soms een fluistering te horen die klonk als een zachte verzuchting: 'Als de tijd rijp is, als de tijd rijp is.'
'Als de tijd rijp is?' zei ze dan geërgerd in zichzelf. 'Wat mij betreft is de tijd meer dan rijp. Ik zou zelfs durven beweren dat de tijd overrijp is. Sterker nog, als je het mij vraagt is hij over de uiterste houdbaarheidsdatum heen.'
Maar dat zei ze natuurlijk niet, want iedereen weet dat een briljante uitvinding met de nodige égards, en omzichtigheid moet worden benaderd. Wie te gretig is, of te wild, loopt kans dat zij sterft voor ze geboren wordt, of dat ze blijft hangen in een ongelukkig embyo-stadium. En niets is hopelozer dan een onvolgroeid idee, want dat is niet briljant.
Zuchtend boog Ilse zich dan maar weer over haar eindeloze reeks dagelijkse werkzaamheden, in afwachting van de geboorte van haar briljante idee. Terwijl ze vloeren dweilde, ramen lapte, was vouwde, afwaste, onkruid wiedde, stofzuigde en de bedden verschoonde als een moderne Assepoester, dacht ze verlangend aan dat moment waarop haar briljante idee zich aan haar zou onthullen. Dan stelde ze zich voor hoe roem en geld haar deel zouden worden. Hoe ze zou wonen in een huis als een paleis, hoe ze zich zou uitrusten met briljanten en hoe ze nooit, nooit meer, zou stofzuigen of vloeren dweilen. Haar briljante idee zou haar bevrijden uit het keurslijf dat haar leven was.
Maar het wachten viel niet mee, vooral niet als de vrouwen wier briljante ideeën al wel geboren waren, uitgebreid aandacht kregen in de pers. Vooral J.K. Rowling, een collega-moeder met een briljante boekenserie en collega-moeder Sonja Bakker konden rekenen op Ilse's afgunst.
En 's avonds in het donker, in donkere momenten als ze de slaap niet kon vatten, twijfelde ze wel eens of haar briljante idee daadwerkelijk zou komen. Dan werden twijfels geboren in plaats van briljante ideeën. Knagende, zeurende twijfels.
'Wat denk je eigenlijk dat je briljante idee is? Misschien is dit het wel gewoon. Dit, je gewone, dagelijkse leven en moet je het daar maar mee doen, tot de dood er een eind aanmaakt. In plaats van steeds te kijken naar wat je niet hebt moet je kijken naar wat je wel hebt,' fluisterde dan een nasale, doordringende stem.
'Hou toch je mond', zei ze dan geërgerd .
'Wat moet ik met jou, en je negativiteit? Het is gewoon een kwestie van geloven! En ik geloof! Ik geloof.'
'Geloof je het zelf?' zei de nasale stem die altijd het laatste woord wilde hebben.
Zo gingen vijf jaren voorbij, en nog steeds had Ilse's briljante idee zich niet aangediend. Steeds vaker en luider hoorde ze 's nachts die nasale stem, tot ze hem zelfs overdag in haar oor hoorde fluisteren. Op een dag toen ze woest de kamer stofzuigde zei de nasale stem plotseling: 'Ilse, herken je mij dan niet?'
'Huh?', zei Ilse en stofzuigde nog wat harder.
De stem herhaalde 'Ilse, luister eens echt naar mij.'
Ilse keek nadenkend voor zich uit, en zei toen gelaten: 'Oké, ik luister, wat moet je nou weer?'
'Ik ben jouw briljante idee! Het briljante idee dat je in je hebt. Ik ben het idee dat je tevreden moet zijn met wat je hebt, in plaats van altijd te verlangen naar iets anders. Ik ben het klokje dat thuis het beste klinkt, ik ben de haard die goud waard is. Ik ben zo briljant dat ik een levenswijsheid ben.'
Verbluft zakte Ilse op haar stofzuiger neer, en zei een hele tijd niets. Toen kwam ze overeind en zei: 'Maar dat is briljant! Waarom ben je daar niet eerder mee gekomen! Nu is het alleen een kwestie van dit idee goed in de markt positioneren, de juiste campagne en promotie inzetten en dan word ik rijk, rijk, rijk! Ik zal baden in briljanten, ik zal vaarwel zeggen tegen mijn leven zoals het is. Briljant!'
'Ja,' zuchtte toen de nasale stem, 'briljant'.
Het Mailtje
To: Ilse
From: Bernard
Subject: Vanavond
Ontmoet me vanavond om 22.30 in de speeltuin aan het professor Spronklaantje. Ik wacht op je!
voor altijd de jouwe,
Bernard
Dat was het bericht dat ik vanochtend in mijn mailbox vond. Aangezien mijn naam Mandy is en niet Ilse, concludeerde ik dat het hier een vergissing betrof. Verder was mijn mailbox vervelend leeg, en ik dacht jaloers aan die onbekende Ilse die tenminste mail kreeg, en iemand had die met haar wilde afspreken. Ook al heette hij dan Bernard. Ooit kende ik een Bernard in mijn klas die, als de juf even niet keek, uit de pot met plaksel snoepte. En als de juf wel keek snoepte hij van zijn eigen snot.
Ik zat achter mijn toetsenbord, en keek verveeld om mij heen. Op mij wachtten, in tegenstelling tot op Ilse, slechts huishoudelijke taken. Waarom zou die Bernard Ilse willen ontmoeten in een speeltuintje, zo laat in de avond? Hoe langer ik er over nadacht hoe nieuwsgieriger ik werd. Ik krabde mezelf in mijn nek, en dacht na over het speeltuintje aan de professor Spronklaan. Ik kende die laan wel, het was een nauw, doodlopend straatje achter een druk kruispunt, met aan het uiteinde een speeltuintje, dat bestond uit de verplichte wipkip, twee rafelige schommels, en zo'n houten klimset met vaalgroene glijbaan. Plotseling zag ik kans mijn saaie bestaan op te fleuren: ik zou vanavond ook naar het speeltuintje gaan! Tenslotte had ik het mailtje ook ontvangen, was het dan niet ook een beetje voor mij? Juist! Misschien wilde de kosmos me wel een bericht sturen of zo. In gedachten zag ik mezelf al als een soort Miss Marple, maar dan jong en hip, in de struiken liggen.
Om tien uur die avond zei ik nonchalant tegen mijn man die Star Trek zat te kijken: 'Ik loop nog even een lokaal ommetje.' Ik kreeg geen reactie, maar die verwachtte ik ook niet, en verliet vol aangename anticipatie mijn huis.
Ik liep door de verlichte straten naar de professor Spronklaan, en spiekte onderweg bij iedereen naar binnen om te kijken hoe ze hun huis hadden ingericht. Eenmaal bij de professor Spronklaan werd mijn pas wat onzeker, terwijl ik me afvroeg wat de beste plek zou zijn om me te verstoppelen. Ik koos voor een stel prikkelige struiken die het speeltuintje omheinden. Ik zat net, enigszins verveeld, te bedenken wat ik de volgende dag eens zou koken, macaroni of alweer spaghetti, toen ik voetstappen hoorde. Mijn hartslag versnelde. De voetstappen kwamen steeds dichterbij en stopten bij de rafelige schommels. Even later hoorde ik het piepende geluid van een schommel waarvan de scharnieren nodig moeten worden geolied.
Voorzichtig gluurde ik over mijn struik, en inderdaad, daar op de schommel zat een man. Elegant en gedistingeerd gekleed, in grijs kostuum met zo'n lange, donkere wollen overjas. Hij droeg zelfs een hoed. Mijn respect voor deze onbekende Bernard steeg. Als ik Ilse was, zou ik beslist komen. Ik zat stilletjes te genieten van het mooie uitzicht toen de man plotseling zijn hakken in het zand zette en tot stilstand schraapte.
'Ilse? ben jij dat?' vroeg hij met sonore stem en pakte iets uit zijn zak.
Koortsachtig dacht ik na. Wat te doen? Zou ik mezelf bekend maken, of net doen alsof ik er niet was. Ik besloot tot het laatste. Maar nu stond hij op van de schommel en liep in de richting van mijn struik.
'Mandy, ik weet dat je daar bent!' zei hij, maar nu had zijn stem iets dreigends.
Ik plaste bijna in mijn broek van schrik. Hoe kende hij mijn naam?
'Ja Mandy, herinner je je mij nog?', vroeg hij op wrede toon.
'Ik ben die Bernard die jij altijd pestte op school.' Het heeft me jaren gekost om je op te sporen, maar nu zul je boeten voor wat je me hebt aangedaan. Het voorwerp dat hij uit zijn zak had gepakt leek verdacht veel op een pistool en het was op mij gericht!
Voorzichtig kwam ik overeind en stamelde 'Bernard? Ik herinner me jou nauwelijks. Was jij dat die altijd plaksel en snot at?'
IIk kon deze gedistingeerde man nauwelijks verenigen met mijn herinnering aan dat vieze jongetje.
'Ja', dat ben ik. Ik ben nu eigenaar van diverse filialen van de Decorette, en ben gespecialiseerd in behangplaksel. Maar jij bent me altijd blijven achtervolgen, en nu is het tijd om af te rekenen. En toen schoot Bernard me pardoes in mijn borst. De pijn brandde in mijn lichaam en terwijl mijn leven langzaam uit me vloeide dacht ik 'Dit overkwam miss Marple nou nooit.'
'Maar Ilse dan?', bracht ik uit.
'Er is geen Ilse. Het was allemaal een truc om mezelf op jou te wreken. Je was altijd al nieuwsgieriger dan goed voor je was, Mandy.'
Langzaam kleurde mijn blonde haar bloedrood. Ik had altijd al als een roodharige door het leven willen gaan. Hoe wrang dat ik het als roodharige moest verlaten.
From: Bernard
Subject: Vanavond
Ontmoet me vanavond om 22.30 in de speeltuin aan het professor Spronklaantje. Ik wacht op je!
voor altijd de jouwe,
Bernard
Dat was het bericht dat ik vanochtend in mijn mailbox vond. Aangezien mijn naam Mandy is en niet Ilse, concludeerde ik dat het hier een vergissing betrof. Verder was mijn mailbox vervelend leeg, en ik dacht jaloers aan die onbekende Ilse die tenminste mail kreeg, en iemand had die met haar wilde afspreken. Ook al heette hij dan Bernard. Ooit kende ik een Bernard in mijn klas die, als de juf even niet keek, uit de pot met plaksel snoepte. En als de juf wel keek snoepte hij van zijn eigen snot.
Ik zat achter mijn toetsenbord, en keek verveeld om mij heen. Op mij wachtten, in tegenstelling tot op Ilse, slechts huishoudelijke taken. Waarom zou die Bernard Ilse willen ontmoeten in een speeltuintje, zo laat in de avond? Hoe langer ik er over nadacht hoe nieuwsgieriger ik werd. Ik krabde mezelf in mijn nek, en dacht na over het speeltuintje aan de professor Spronklaan. Ik kende die laan wel, het was een nauw, doodlopend straatje achter een druk kruispunt, met aan het uiteinde een speeltuintje, dat bestond uit de verplichte wipkip, twee rafelige schommels, en zo'n houten klimset met vaalgroene glijbaan. Plotseling zag ik kans mijn saaie bestaan op te fleuren: ik zou vanavond ook naar het speeltuintje gaan! Tenslotte had ik het mailtje ook ontvangen, was het dan niet ook een beetje voor mij? Juist! Misschien wilde de kosmos me wel een bericht sturen of zo. In gedachten zag ik mezelf al als een soort Miss Marple, maar dan jong en hip, in de struiken liggen.
Om tien uur die avond zei ik nonchalant tegen mijn man die Star Trek zat te kijken: 'Ik loop nog even een lokaal ommetje.' Ik kreeg geen reactie, maar die verwachtte ik ook niet, en verliet vol aangename anticipatie mijn huis.
Ik liep door de verlichte straten naar de professor Spronklaan, en spiekte onderweg bij iedereen naar binnen om te kijken hoe ze hun huis hadden ingericht. Eenmaal bij de professor Spronklaan werd mijn pas wat onzeker, terwijl ik me afvroeg wat de beste plek zou zijn om me te verstoppelen. Ik koos voor een stel prikkelige struiken die het speeltuintje omheinden. Ik zat net, enigszins verveeld, te bedenken wat ik de volgende dag eens zou koken, macaroni of alweer spaghetti, toen ik voetstappen hoorde. Mijn hartslag versnelde. De voetstappen kwamen steeds dichterbij en stopten bij de rafelige schommels. Even later hoorde ik het piepende geluid van een schommel waarvan de scharnieren nodig moeten worden geolied.
Voorzichtig gluurde ik over mijn struik, en inderdaad, daar op de schommel zat een man. Elegant en gedistingeerd gekleed, in grijs kostuum met zo'n lange, donkere wollen overjas. Hij droeg zelfs een hoed. Mijn respect voor deze onbekende Bernard steeg. Als ik Ilse was, zou ik beslist komen. Ik zat stilletjes te genieten van het mooie uitzicht toen de man plotseling zijn hakken in het zand zette en tot stilstand schraapte.
'Ilse? ben jij dat?' vroeg hij met sonore stem en pakte iets uit zijn zak.
Koortsachtig dacht ik na. Wat te doen? Zou ik mezelf bekend maken, of net doen alsof ik er niet was. Ik besloot tot het laatste. Maar nu stond hij op van de schommel en liep in de richting van mijn struik.
'Mandy, ik weet dat je daar bent!' zei hij, maar nu had zijn stem iets dreigends.
Ik plaste bijna in mijn broek van schrik. Hoe kende hij mijn naam?
'Ja Mandy, herinner je je mij nog?', vroeg hij op wrede toon.
'Ik ben die Bernard die jij altijd pestte op school.' Het heeft me jaren gekost om je op te sporen, maar nu zul je boeten voor wat je me hebt aangedaan. Het voorwerp dat hij uit zijn zak had gepakt leek verdacht veel op een pistool en het was op mij gericht!
Voorzichtig kwam ik overeind en stamelde 'Bernard? Ik herinner me jou nauwelijks. Was jij dat die altijd plaksel en snot at?'
IIk kon deze gedistingeerde man nauwelijks verenigen met mijn herinnering aan dat vieze jongetje.
'Ja', dat ben ik. Ik ben nu eigenaar van diverse filialen van de Decorette, en ben gespecialiseerd in behangplaksel. Maar jij bent me altijd blijven achtervolgen, en nu is het tijd om af te rekenen. En toen schoot Bernard me pardoes in mijn borst. De pijn brandde in mijn lichaam en terwijl mijn leven langzaam uit me vloeide dacht ik 'Dit overkwam miss Marple nou nooit.'
'Maar Ilse dan?', bracht ik uit.
'Er is geen Ilse. Het was allemaal een truc om mezelf op jou te wreken. Je was altijd al nieuwsgieriger dan goed voor je was, Mandy.'
Langzaam kleurde mijn blonde haar bloedrood. Ik had altijd al als een roodharige door het leven willen gaan. Hoe wrang dat ik het als roodharige moest verlaten.
Subscribe to:
Comments (Atom)